Denk aan ontmoetingen tussen dementerende ouderen en jonge kinderen, (kunst)studenten en mensen met een mentale beperking, kinderen met en kinderen zonder een fysieke beperking en alles daartussen in. Sinds dit jaar ben ik huischoreograaf van het nieuwe ‘inclusieve reisgezelschap’ Compagnie 21. Een danstheatergezelschap van Theaterwerkplaats Tiuri dat werkt met mensen met een mentale beperking in combinatie met professionele gastperformers.

repetitiefoto Compagnie 21, spelers krijgen regieaanwijzingen van Jordy Dik
Repetitiefoto van Compagnie 21, met rechts Jordy Dik – foto Noor van Gestel

Met de voorstelling No Bodies mag ik met dit bijzondere gezelschap dit jaar op tournee langs de grote Nederlandse theaters. Een droom die uitkomt. En ondanks dat er waarschijnlijk niemand meer gelooft in onze missie naar emancipatie en (mede)menselijkheid dan ik, blijft het woord waarom de theaters ons programmeren – inclusie – mij tegen de borst stoten. Het insinueert dat een individu of groep bepaalt dat een ander mens of groep nu wel ‘mag meedoen’ aan een activiteit of zelfs in bredere zin aan de maatschappij. En zelden is dat diegene zelf.

Meedoen heeft een ongelijkheid in zich

Ik gebruik daarom graag deze metafoor. Als ik een project begin, dan zou je dat kunnen zien als dat ik mensen uitnodig aan mijn tafel. Vaak werk ik met mensen die nog nooit of zelden met kunst en dans in aanraking zijn gekomen en dat zou kunnen betekenen dat ik ‘mijn sociale deuren’ open zet om de ander te verwelkomen in een nieuwe wereld. De wereld waarin ik gewoon ben en mijn opleidingen genoten heb. Ik nodig diverse mensen uit, van alle afkomsten, alle kleuren, alle groottes en alle vormen. In essentie bepaal ik als individu dat andere mensen mogen ‘meedoen’, zoals ook de subsidieverstrekker die het project op voorhand kritisch bekijkt en dan al dan niet subsidieert. Meedoen heeft een ongelijkheid in zich. Alsof een jongetje dat jou vroeger niet aardig vond je bij het buitenspelen zegt dat je nu wél een keer mag meedoen. Om daar dan vervolgens heel erg blij mee te moeten zijn én nog belangrijker; dankbaar naar hem toe.

Een tafel waaraan je als nieuwe familie de dialoog begint

Meedoen voelt alsof iets al gestart is zonder jou – of sowieso zal plaatsvinden ook als jij niet ‘mee’ doet. Daarom begin ik elk project altijd zo: samen met de ‘nieuwe’ dansers gooien we de metaforische tafel die al in de ruimte stond weg en de stoelen gaan er met een grote slinger achteraan. Vervolgens vraag ik de groep om samen met mij een nieuwe tafel te bouwen en elk een stoel te bedenken waar diegene op wil zitten. Deze mag opnieuw alle kleuren, wielen of geen wielen, groottes en vormen hebben, als die maar past bij jou – met respect voor de gehele tafel. En als we dan gezamenlijk plaatsnemen aan onze nieuwe tafel, waaraan wij als nieuwe familie onze dialoog kunnen beginnen, is het niet meer dat zij aan mijn tafel mogen zitten, maar dat wij samen een plek hebben gecreëerd die van ons is – en waar wij ons allen comfortabel voelen.

Dit is waar ik heilig in geloof: de homogene consensus om zo heterogeen mogelijk te zijn en daarom vooral diegenen te blijven ontmoeten die niet altijd worden gehoord. En dat maakt mij geen ‘inclusieve maker’, maar simpelweg een mens die houdt van, luistert naar en geïnteresseerd is in de wereld om hem heen. Als ik dan écht onder een noemer moet vallen, noem me dan maar een humanist die van nieuwe tafels houdt.

Open mic
In de open mic schrijft of vertelt een professional een persoonlijk verhaal, een hartenkreet of een visie op diversiteit en/of inclusie, om te inspireren, te motiveren en van te leren.