Overslaan en naar de inhoud gaan
24 september 2026

De Lievekamp brengt theater naar de gemeenschap

  • PPartners
  • PProgramma
  • PPubliek
Een diverse groep deelnemers aan een theaterproject staat op het podium. Een presentator vraagt om applaus voor de groep. Een van de deelnemers zit in een rolstoel. Ze krijgen allemaal een medaille omgehangen.

Hoe zorg je ervoor dat een theater niet alleen ín, maar ook ván een stad is? Voor Lobke van der Sanden, die in 2017 Theater van de Stad bij de Lievekamp in Oss opzette, begint dat met luisteren. We spraken haar over het bereiken van gemeenschappen die het theater niet vanzelfsprekend weten te vinden, samenwerken op basis van gelijkwaardigheid en over wat dat van een culturele organisatie vraagt. Lobke: “Er zijn mensen die nog nooit kennis hebben kunnen maken met theater, maar er misschien wel verliefd op zouden kunnen worden.” 

Het idee voor Theater van de Stad ontstond al voordat Lobke bij de Lievekamp begon. De toenmalige directeur wilde de maatschappelijke rol van het theater verder ontwikkelen. Toen Lobke, met een achtergrond in educatie, dans en diversiteit en inclusie, in 2017 een open sollicitatie stuurde, kruisten hun ideeën elkaar. Ze kreeg de opdracht om Theater van de Stad op te bouwen. “Hier kreeg ik de kans om wat ik eerder binnen de danswereld had gedaan, podiumkunstbreed te doen.”

De Lievekamp had al een lange geschiedenis met het lokale amateurveld en een relatief toegankelijke programmering. Toch werd een deel van de Osse samenleving nog niet bereikt. “We zagen dat er een hele grote groep mensen was die nooit bij De Lievekamp kwam, omdat ze geen verbinding maken met het amateurveld of überhaupt met de samenleving.” Het doel was niet om iedereen tot theaterliefhebber te maken. Lobke: “Ik ga ook niet naar een voetbalwedstrijd. Maar als ik het zou willen, zou ik het wel kunnen. Er zijn mensen die nog nooit kennis hebben kunnen maken met theater, maar er misschien wel verliefd op zouden kunnen worden.”

Twee meiden zingen in de spotlight op het podium. Ze staan naar elkaar toe. Een van de meiden zien we daardoor op de rug.

Vertrouwen als vertrekpunt

Daarom kiest De Lievekamp bewust voor een andere manier van werken. “We doen geen productie zonder partner,” zegt Lobke. Dat kan een organisatie zijn, maar ook een burgerinitiatief, stichting, jongerenwerker of sleutelfiguur uit een bepaalde gemeenschap.” Soms meldt een partner zich bij het theater. En soms gaat Lobke zelf op zoek naar groepen die het theater nog niet genoeg bereikt. “Je moet zeker in het begin echt veel op pad. Naar wijken, welzijnsorganisaties en het professionele veld. Je probeert op allerlei manieren ingangen te vinden.” Een samenwerking begint vaak met een kop koffie of thee. Door te luisteren probeert het theater te ontdekken wat er speelt en waar behoefte aan is. “Je vertelt dan dat je graag wil samenwerken, dat je producties wil maken met en vóór de stad, en dat je daar ook budget voor hebt. Je komt ook echt wel wat brengen.”

Die samenwerking begint niet van de één op de andere dag. Je moet volgens Lobke eerst vertrouwen opbouwen. Dat doe je voornamelijk door gemeenschappen gedurende het hele proces inspraak te geven. Lobke: “Het is niet zo dat we hun ideeën uitzuigen en ze vervolgens twee vrijkaarten geven. We proberen het hele traject samen te doen.” Dat betekent niet dat De Lievekamp zijn eigen expertise loslaat. “Je bent als theater ook professional. Je weet hoe dingen goed kunnen worden overgebracht en hoe je mensen aan het denken kunt zetten.” Bij de rolverdeling wordt daarom gekeken waar iedereen goed in is. Het theater brengt expertise over productie en techniek, terwijl partners hun kennis van de gemeenschap, publiekswerving en inhoud inbrengen.

“Het is niet zo dat we hun ideeën uitzuigen en ze vervolgens twee vrij-kaarten geven. We proberen het hele traject samen te doen.”

– Lobke van der Sanden, projectleider Theater van de Stad

Een concreet voorbeeld is een project met jonge mantelzorgers. Via een jongerencentrum kwam De Lievekamp in contact met een groep meiden die hun eigen ervaringen een podium wilden geven. In een traject van bijna vijf jaar maakten zij uiteindelijk zelf twee voorstellingen en een documentaire. “Het waren helemaal geen spelers. Het waren gewoon scholieren of studenten die daarnaast jonge mantelzorgers waren,” zegt Lobke. Juist omdat het om hun eigen verhaal ging, was vertrouwen belangrijk. “Ze wilden veel inspraak in de boodschap van de voorstelling, om te voorkomen dat het vooral zou gaan over hoe zielig ze zijn.”

Theater hoeft niet altijd in het theater te zijn

Deze manier van denken heeft ook gevolgen voor de plek waar voorstellingen plaatsvinden. Veel producties worden buiten De Lievekamp georganiseerd. Dat is deels ook praktisch: naast de stad bestaat de gemeente Oss uit 23 dorpen en voor sommige inwoners vormt reisafstand simpelweg een drempel. Maar een andere locatie kan ook vertrouwder voelen. “Een dorpshuis kan in een dorp een veilige plek zijn om cultuur te beleven als je dat nog nooit in een theater hebt gedaan en spannend vindt.”

Ook binnen De Lievekamp wordt steeds gekeken naar wat een specifieke groep nodig heeft. Dat leidt soms tot kleine aanpassingen, zoals voorzieningen voor mensen met een visuele beperking, een bankje bij de deur voor mensen die wachten tot ze worden opgehaald, of een genderneutrale omroep. Lobke: “We kijken altijd; welk podium of welke plek past bij de behoefte van deze voorstelling of doelgroep?” Soms betekent dat dat bestaande theaterlogica moet worden losgelaten. Niet iedereen voelt zich bijvoorbeeld prettig bij een klassieke theateropstelling of bij de verwachting dat je tijdens een voorstelling stil blijft zitten. Ook kan een foyer een meer geschikte plek blijken te zijn dan een theaterzaal. “Je moet flexibel kunnen zijn en het anders  doen dan je misschien gewend bent.”

6 jonge mensen staan op het podium te midden van een zee aan ballonnen.

Inclusie als onderdeel van de héle organisatie

Uiteindelijk zag Lobke dat deze houding als een olievlek doorwerkte in de organisatie. Waar ze in het begin vaak degene was die collega’s wees op dingen die zouden moeten worden aangepast, komen ideeën nu steeds vaker vanuit de organisatie zelf. “Nu word ik soms echt door collega’s verrast. Laatst dacht de horeca bijvoorbeeld mee over de sfeer in de foyer tijdens een voorstelling voor mensen met een beperking.” Maar ook dat ging niet volledig zonder slag of stoot. “Het is niet per se altijd weerstand waar je mee te maken hebt. Soms moeten collega’s er gewoon aan wennen. Maar als ze eenmaal zien dat het werkt, geeft dat enorm veel motivatie.”

Wat hierin ook helpt, is dat diversiteit en inclusie altijd op de agenda van de verschillende werkoverleggen staan.  Daarnaast is er een werkgroep met vertegenwoordigers uit de verschillende afdelingen. Toch blijft het volgens Lobke belangrijk dat iemand hier daadwerkelijk uren voor krijgt. “Je doet diversiteit en inclusie er niet even bij. Zorg dat iemand het als taak heeft en daarmee ook anderen inspireert of scherp houdt.” Zo kan inclusie volgens haar steeds meer onderdeel worden van de manier waarop de hele organisatie werkt.

Het werk begint pas

De Lievekamp bereikt inmiddels een veel bredere groep dan negen jaar geleden, maar volgens Lobke is de organisatie er nog lang niet. Ze noemt bijvoorbeeld hoe het bereiken van de Turkse gemeenschap in Oss een uitdaging blijft. “In hun ogen zijn wij een Nederlands instituut. Met zo’n instituut voelen ze soms minder affiniteit. Het is onze verantwoordelijkheid daar wat aan te doen.” Daarom zoekt De Lievekamp ook daar de samenwerking op, onder meer met een moskee. “De Turkse gemeenschap viert bijvoorbeeld Kinderdag. Dan vragen wij aan hen: wat doen jullie op die dag, wat hoort daarbij en wat moeten we organiseren zodat het voor jullie een leuke dag is?”

Ook moet je volgens Lobke blijvend investeren in de relatie. Het doel moet daarbij nooit conversie zijn. “Daar zijn we nooit naar op zoek geweest,” zegt Lobke. “Bovendien is het een utopie dat mensen na één project automatisch regulier theaterpubliek worden.” Wel wil het theater het contact warm houden en blijven openstaan voor nieuwe ideeën. “Als je niet blijft investeren, blijft het bij één keer. Dan begint het werk pas.” Haar advies aan andere culturele organisaties is dan ook: “Zeg altijd ja als iemand een gesprek met je wil, wie het ook is. Na dat eerste gesprek kun je nog altijd nee zeggen.”

Een groep mensen loopt de polonaise door de foyer van een theater. Op de muur achter hen zijn posters van theatervoorstellingen te zien.

Vijf lessen voor de sector

Tot slot deelt Lobke haar belangrijkste inzichten over gelijkwaardig samenwerken:

  • Ga actief op zoek naar wie je nog niet bereikt

    Wacht niet tot nieuwe doelgroepen zelf de weg naar je organisatie vinden. Kijk actief naar wie ontbreekt in je publiek en programma en zoek vervolgens contact met mensen en organisaties die deze gemeenschap goed kennen.

  • Werk mét gemeenschappen, niet vóór hen

    Een doelgroep betrekken voor alleen een idee of een eenmalige activiteit is niet genoeg. Geef partners inspraak gedurende het hele traject en stel je bescheiden op.

  • Bouw eerst vertrouwen op

    Een nieuwe doelgroep bereik je niet met één campagne of voorstelling. Zeker wanneer mensen hun persoonlijke ervaringen delen, is tijd nodig om een veilige relatie op te bouwen.

  • Durf je eigen (theater)logica los te laten

    Inclusie kan betekenen dat je bestaande routines los moet laten. Moet een voorstelling altijd in een theaterzaal plaatsvinden? Moet iedereen stil blijven zitten? Kijk niet alleen naar wat organisatorisch handig is, maar naar wat de bezoeker nodig heeft.

  • Maak inclusie iemands verantwoordelijkheid én een gezamenlijke opdracht
    Geef iemand daadwerkelijk tijd en verantwoordelijkheid om het onderwerp aan te jagen, en zorg vervolgens dat de lessen hun weg naar de afdelingen vinden.