17 juni 2026

Aanpassen auditiebeleid werpt zijn vruchten af: hoe de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie zorgde voor meer diverse instroom

  • PPersoneel
Een groep van zeven performers staat op een theaterpodium. Op de voorgrond kijkt een persoon in een groene bomberjas en een zwart-witte jurk met een verbaasde uitdrukking naar voren. Op de achtergrond staan andere spelers verspreid over het podium, deels onscherp. Het toneel is schaars ingericht en wordt verlicht met dramatisch theaterlicht.

Foto: Bart Grietens

‘Ze zijn er niet.’ Dat was het antwoord dat Yvette Fijen kreeg toen ze ruim 10 jaar geleden als artistiek leider aan de slag ging bij de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie (ATKA), en zich afvroeg waarom de klassen zo homogeen en wit waren. Fijen wist beter, en nam direct na haar aanstelling het auditieproces op de schop. Na ruim tien jaar levert dat zichtbaar resultaat: de instroom is representatiever dan ooit en er is een groter bewustzijn over de witte en westerse norm. Hoe kreeg de opleiding dat voor elkaar?

Volgens Fijen is het heel simpel: “theater gaat over de wereld. Dan moet die wereld ook terug te zien zijn op het podium. En dus ook in de klaslokalen waar nieuwe makers worden opgeleid.” Voor de ATKA begon die verandering niet met één grote beleidsmaatregel of een strak diversiteitsplan. Inclusiever werken zit hem volgens haar en haar opvolger Thomas Spijkerman vooral in het besef dat je met elke stap die je zet of elke actie die je onderneemt mensen uit kunt sluiten. Denk aan taalgebruik, opvattingen over kwaliteit of de plekken waar je studenten werft.  Fijen: “Je moet jezelf voortdurend afvragen: wie bereiken we hiermee niét?” Dat de hogeschool gevestigd is in een monumentaal pand in de Amsterdamse binnenstad zorgde volgens Spijkerman ook voor afstand. “Veel jongeren dachten: deze plek is niet voor mij. Daardoor liepen we veel talent mis.”

“Theater gaat over de wereld. Dan moet die wereld ook terug te zien zijn op het podium.”

– Yvette Fijen, artistiek leider Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie

Fijen besloot daarom dat de school zelf de boer op moest. Docenten gingen actief op zoek naar nieuw talent. “Je moet echt de wijk in,” zegt Fijen. “Mensen ontmoeten, gesprekken voeren en jezelf laten zien. Pas dan ontstaat vertrouwen.” Dat kost tijd en geld, erkennen beiden. Maar volgens Spijkerman is dat uiteindelijk ook een kwestie van prioriteiten stellen. “Als je dit echt belangrijk vindt, dan maak je er ruimte voor.”

Voorsprong

De zoektocht naar talent buiten de gebruikelijke netwerken zorgde ook voor een ander inzicht: studenten die opgroeien met bijvoorbeeld theaterbezoek, pianoles of ouders uit de culturele wereld hebben ongemerkt al een voorsprong opgebouwd voordat ze überhaupt auditie doen. “Die weten hoe je jezelf moet presenteren en welke codes er gelden”, zegt Spijkerman.  “Ze voelen zich sneller thuis en op hun gemak, kunnen zich makkelijker laten zien en presteren daardoor ook beter.” Volgens hem moet je daarom voorbij die eerste indruk leren kijken: potentie, eigenheid en leerbaarheid staan voorop. “Iemand hoeft op dag één nog geen perfecte speler te zijn. Anders hoef je ook niet meer naar school.”

Dat inzicht maakte dat de audities zelf ook in opzet, inhoud en structuur veranderden. Waar kandidaten vroeger in korte momenten moesten bewijzen wat ze konden, werden de rondes steeds meer als een leerproces ingericht. Kandidaten komen meerdere keren terug, werken samen in groepen en krijgen onderweg feedback. “Eigenlijk hebben we de auditie veel meer als onderwijs vormgegeven”, zegt Spijkerman. “Daardoor zie je niet alleen wat iemand nu al kan, maar vooral ook wat iemand kan worden.” In de oude situatie zat er veel meer druk op het moment zelf. “Je moest eigenlijk in tien minuten shinen”, zegt Fijen. “Alsof je in zo’n korte tijd al volledig moet laten zien wie je bent.” Fijen ziet juist in de nieuwe opzet vaak talent naar boven komen dat anders onopgemerkt zou blijven. “Door tijd, vertrouwen en ruimte kunnen sommige kandidaten je echt verrassen.”

Geen monoloog maar een verhaal 

Zelfs op het taalgebruik werd kritisch gereflecteerd. Een woord als ‘monoloog’ dat binnen de theaterwereld heel vanzelfsprekend is, bleek dat voor veel kandidaten helemaal niet te zijn. “Maar een verhaal vertellen, dat kan iedereen”, zegt Spijkerman.  Fijen vult aan: “Je denkt vaak dat je neutraal bezig bent, omdat het voor jou vertrouwd voelt. Tot je ziet dat je daarmee ongemerkt en ongewild een hele grote groep buitensluit.”

“Je denkt vaak dat je neutraal bezig bent, omdat het voor jou vertrouwd voelt. Tot je ziet dat je daarmee ongemerkt en ongewild een hele grote groep buitensluit.”

- Yvette Fijen

Ook de hiërarchie tussen kunstvormen werd onder de loep genomen. Lange tijd gold binnen het auditieproces impliciet dat bepaalde genres en uitingsvormen beter waren dan andere. “Er hing een soort onuitgesproken rangorde”, zegt Spijkerman. In de nieuwe aanpak werd die hiërarchie bewust losgelaten en het repertoire meerstemmig gemaakt. “Een klassieke monoloog staat nu náást spoken word, liedperforming of een persoonlijk verhaal. Die vragen allemaal om verschillende vaardigheden.” Fijen vult aan: “Het gaat niet om de vorm. Het gaat om wat iemand te vertellen heeft en hoe iemand dat doet.”

Brede blik op kwaliteit

Deze manier van kijken vroeg ook iets van de beoordelaars zelf. De opleiding stelde daarom auditiecommissies samen met mensen die verschillende perspectieven, achtergronden en artistieke invalshoeken meebrengen. Niet één dominante blik, maar meerdere tegelijk. “Wat de één niet ziet, ziet de ander juist wel”, zegt Fijen. “Je moet die verschillende brillen naast elkaar organiseren.” Volgens Spijkerman vraagt dat ook bewustzijn over hoe onbewuste normen en systemen bepalen wie ‘past’ en wie niet. “Als je dat niet meeneemt, selecteer je uiteindelijk vooral mensen die al dicht tegen de bestaande norm aan zitten.”

Al die veranderingen gingen niet zonder slag of stoot: binnen het docententeam leefde aanvankelijk de zorg dat de artistieke kwaliteit onder druk zou komen te staan. “Natuurlijk was er ook weerstand”, zegt Fijen. Maar toen de eerste nieuwe lichting studenten binnenkwam, sloeg dat beeld snel om. “Docenten zagen dat het stuk voor stuk heel sterke spelers, performers en makers waren,” zegt Fijen. “Alleen niet allemaal op de manier die we gewend waren.”

Een groep performers staat op een theaterpodium tijdens een scène. Op de voorgrond reageert een persoon in een blauw-gele trui zichtbaar geschrokken, met de handen tegen het gezicht. Daarnaast gebaart een andere speler met opgestoken wijsvingers. Op de achtergrond staan meerdere performers verspreid over het podium, terwijl de aandacht gericht lijkt op iets buiten beeld.

Foto: Bart Grietens

Meebewegen als school  

Toen de instroom diverser werd, veranderde ook de opleiding zelf mee. Studenten brachten andere ervaringen, verwachtingen en omstandigheden mee, waardoor de school opnieuw moest nadenken over wat onderwijs eigenlijk vraagt. Sommige studenten combineren hun studie met werk of zorgtaken, anderen hebben vragen over toegankelijkheid, religieuze feestdagen of representatie in het curriculum. “Dan kun je niet doen alsof iedereen in hetzelfde stramien past”, zegt Spijkerman. “Je moet als organisatie meebewegen met wat studenten nodig hebben om überhaupt mee te kunnen doen.” In dat spanningsveld ontstaat volgens hem ook iets nieuws: een opleiding die zichzelf ook voortdurend opnieuw moet uitvinden.

Volgens Fijen zit precies daar de kracht van die meerstemmigheid. “Je wordt gedwongen om je eigen vanzelfsprekendheden los te laten.” Op een gegeven moment veranderde daardoor ook de dynamiek tussen studenten onderling. “Ze voelen zich nu veel minder concurrenten van elkaar”, zegt Spijkerman. “Omdat iedereen iets anders meebrengt.” Waar de één sterk is in tekst, is de ander sterk in beweging of muziek. Bovendien neemt iedereen ieders eigen referentiekader mee waar studenten elkaar ook weer mee inspireren. “Dat maakt dat mensen elkaar eerder versterken dan beconcurreren.”

Voorbij goede bedoelingen

Organisaties die zelf inclusiever willen werken, moeten zich volgens Fijen en Spijkerman eerst één eerlijke vraag stellen: wat ben je als organisatie daadwerkelijk bereid te veranderen? “Iedereen zegt inclusie belangrijk te vinden”, zegt Spijkerman. “Maar dan moet je ook eerlijk zijn: ben je bereid om je systeem echt open te breken of blijft het bij goede bedoelingen?” Dat is waar het volgens hem in de praktijk vaak aan schort. “Er zijn altijd argumenten waarom het niet kan: gebrek aan tijd, geld of ruimte binnen bestaande structuren. Dat zijn soms ook gewoon echte beperkingen. Maar dan moet je niet tegelijkertijd zeggen dat diversiteit je hoogste prioriteit is: dan wordt het een wassen neus en verandert er niets.”

Volgens Fijen vraagt het daarom om leiderschap dat niet alleen beleid formuleert, maar ook echt mandaat heeft om in de organisatie in te grijpen. “Je hebt iemand nodig die zegt: we gaan ervoor.” Want uiteindelijk is inclusie geen project met een einddatum. “Diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid moet je iedere dag doen. Het is nooit af.”


Tips voor de culturele sector

Wat kun je verder doen om je auditieproces inclusiever in te richten? Fijen en Spijkerman delen een aantal tips.

1. Zorg voor mandaat. Inclusief werken lukt alleen als iemand in de organisatie niet alleen verantwoordelijkheid heeft, maar ook mandaat om systemen en processen daadwerkelijk te veranderen. Zonder dat mandaat blijft het vaak bij goede intenties en is slechts een klein groepje verantwoordelijk voor dit onderwerp.

2. Zoek actief buiten je eigen netwerk naar talent. Wacht niet tot studenten zich melden via je website of bestaande circuits, maar ga zelf naar op zoek naar de groepen die je wilt bereiken. Zichtbaarheid en ontmoeting zijn nodig om nieuw talent überhaupt te bereiken.

3. Zie talent als potentie en leerbaarheid. Auditanten die vertrouwd zijn met de sector en de gedragscodes kennen hebben vaak ongemerkt een voorsprong op andere auditanten. Door meer te kijken naar ontwikkeling en leerbaarheid ontstaat ruimte voor andere instromers.

4. Maak van selectie een leerproces. Een auditie kan in plaats van een momentopname ook een traject met meerdere rondes en feedback zijn. Je moet de tijd nemen om anders en beter te kijken.  Zo zie je niet alleen wat iemand nu kan, maar vooral wat iemand kan worden.

5. Maak inclusie onderdeel van je dagelijks handelen. Inclusie is geen project, eenmalige cursus of tijdelijk programma, maar iets dat onderdeel moet zijn van elke keuze die je maakt. Het moet een diep verlangen zijn en vraagt voortdurende aandacht en bijsturing.