Ik groeide op zonder het gevoel te hebben dat ik gehandicapt was. Thuis gebruikten we gebarentaal en ging ik naar een dovenschool. Toen ik ongeveer tien jaar was ontdekte ik dat de maatschappij mij als een gehandicapte persoon beschouwt, omdat ik niet kan horen. Ik merkte gaandeweg ik ouder werd ook steeds vaker dat er belemmeringen zijn in de maatschappij: andere mensen kunnen geen gebarentaal en andere mensen benaderen ons vanuit een medisch perspectief. Doordat we als gehandicapt worden beschouwd zien ze vooral de dingen die we niet kunnen omdat we doof zijn. Dat belemmert ons, want wij als dove mensen voelen ons eerder lid van een culturele minderheidsgroep dan een gehandicapte.

We hebben immers onze eigen taal: de Nederlandse gebarentaal (NGT). We delen naast een (onderdrukkings)geschiedenis – gebarentaal werd tussen 1880-1980 onderdrukt, het was niet toegestaan deze te gebruiken in het onderwijs – ook gedeelde normen &waarden en humor, we leven ‘visueel’. Ik merk dat veel mensen daar nog niet van bewust zijn. Het Nederlands is ook niet onze moedertaal, maar onze tweede taal. Voor ons is het lastig om begrepen te worden omdat we een ‘communicatieve beperking’ hebben, omdat niet iedereen gebarentaal kan. We kunnen tolken inzetten, maar wanneer dit beperkt beschikbaar is, is dat lastig. En voor begrip en bewustwording is communicatie zó wezenlijk.

De voornaamste reden waarom ik mij laat horen in het debat rond diversiteit en inclusie is omdat ik het heel belangrijk vind dat dit debat wordt gevoerd mét de mensen vanuit de doelgroep zelf. Dus de mensen waaronder ‘diversiteit’ verstaan wordt. Wat ik tot nu toe vaak meemaak is dat als ik ergens kom waar het thema diversiteit en inclusie is, daar vaak weinig of geen mensen aanwezig zijn met een beperking. Mensen denken bij ‘diversiteit’ toch sneller aan etnische minderheden, gender, leeftijd etcetera – maar ook de groep mensen met een beperking hoort hier bij. Als doven lopen wij wel tegen dezelfde uitsluitingsmechanismes aan. Doofheid zie je niet aan de buitenkant en door de onderdrukking is er een kloof ontstaan tussen doof en horend. Er zijn nog steeds genoeg dove mensen die liever zoveel mogelijk in de dovengemeenschap leven, niet echt contact hebben met horende mensen. En zo blijven we maar in onze eigen wereldjes. Ik ben geen vertegenwoordiger van álle dove mensen; dit is in de eerste plaats mijn persoonlijke missie, maar ik weet dat er veel doven zijn die er ook zo over denken.

In de dagelijkse praktijk zijn er genoeg drempels in het leven van doven en slechthorenden (ik word liever geen auditief beperkte genoemd, omdat daar in de term gelijk de nadruk wordt gelegd op ‘beperking’). Waar we het vaakst tegen aan lopen is dat horende mensen zich geen houding weten te geven, niet weten hoe te communiceren of het niet durven. Wat we vaak horen is “laat maar”. Wat ook gebeurt als je als dove een kaartje wil kopen bij de kassa in een museum bijvoorbeeld, dan schrikken ze en halen ze een collega erbij of ze gaan Engels praten of heel snel. Het gaat in de eerste plaats dus echt om je houding. Wees geduldig, open en vriendelijk. Dat is zo waardevol voor ons. Praat rustig en duidelijk, ga niet overdreven articuleren. Dit klinkt misschien heel klein, maar het is groot voor ons. Zoals eerder gezegd is ook het werken met tolken lang niet vanzelfsprekend. Er zijn nog steeds organisaties of scholen die een tolk weigeren. Dat is een probleem voor ons. Of de tolk ergens in een donker hoekje plaatsen. En als er dan wel een tolk is, gaan onze gesprekpartners vaak tegen de tolk gaan praten. Maar dat is een tussenpersoon. Je kan dus altijd de dove persoon aankijken en je richten tegen je dove gesprekspartner. Dat is vaak even wennen voor de horenden.

Niet alleen als dove, maar ook als professional, in mijn eigen bedrijf, probeer ik de wereld van de horenden en de doven bij elkaar te brengen. Met mijn zus Martine en (horende) collega Nynke Feenstra. We willen, heel simpel, dove mensen zichtbaarder maken in de publieke ruimte (musea), zodat horende mensen vaker in contact komen met dove mensen. Doofheid is een onzichtbare ‘handicap’. Als je alleen loopt, ziet men niet dat je doof bent. In een rondleiding in Nederlandse gebarentaal maakt de dove museumgids gebarentaal zichtbaar en aanwezig in het museum. Dove bezoekers kunnen op deze manier toegankelijk het museum bezoeken in hun eigen taal. Horende medewerkers en bezoekers komen in aanraking met dove mensen en gebarentaal en raken er meer vertrouwd mee. Horende medewerkers leren samenwerken met dove mensen (en andersom). Een rondleiding in NGT in het museum zorgt voor een andere beleving van het museum: je beleeft het museum visueler. Gebarentaal is driedimensionaal, platte kunstwerken komen tot leven. Dat vinden andere horende bezoekers vaak ook heel leuk om te zien. Op die manier komt er meer waardering voor dove mensen en gebarentaal.

We hebben het project ‘Musea in gebaren’ samen met Foam fotografiemuseum Amsterdam opgezet in 2015. Sinds dit jaar zetten we het programma zelfstandig voort. Inmiddels zijn er 16 musea bij ons aangesloten en we leiden dove mensen op tot museumgids. Daarnaast maken we ook videoproducties, het afgelopen jaar hebben we een multimedia-tour in Nederlandse gebarentaal ontwikkeld voor het Rijksmuseum, zij waren het eerste museum in Nederland met een multimediatour in NGT. Dit draagt bij aan de zelfstandigheid en keuzevrijheid van dove museumbezoekers. We hebben inmiddels al meer aanvragen ontvangen van andere musea die ook een videotour in Nederlandse Gebarentaal willen ontwikkelen.

We zijn bezig met bewustwording creëren op verschillende terreinen en niveaus, bij zowel de horende als dove mensen, bij individuen en op organisatieniveau. We proberen een inktvlekwerking op gang te brengen. Een inktvlek van bewustwording vanuit de ‘horende’ mensen richting de dove mensen. Bewustwording dat doofheid niet alleen maar een handicap is. Bewustwording dat dove mensen zichzelf zien als lid van een culturele minderheidsgroep. Bewustwording dat gebarentaal de moedertaal is van dove mensen, en daarom heel belangrijk is; het is onze recht om onze eigen taal te mogen hebben. En toch, de NGT is nog altijd niet erkend in Nederland als officiële taal, in 40 landen ter wereld wel, maar elders dus ook niet. Bewustwording dat gebarentaal een verrijking is, zelfs ook voor horende mensen. En anderzijds de bewustwording bij dove mensen dat musea heel veel kennis en ervaring te bieden hebben om hun wereld te vergroten, informatie te vergaren, en zichzelf en de hele dovengemeenschap op een positieve wijze te kunnen presenteren.

Uiteindelijk moet het komen tot een manier van denken in ‘en-en’ in plaats van ‘of-of’, een manier van denken waarin diversiteit gewaardeerd wordt, en er naar échte inclusie gestreefd wordt, waarbij er op gelijkwaardige manier sámen wordt gewerkt met dove mensen zelf, in plaats van ‘voor’ dove mensen – vaak vanuit een goede bedoeling, maar vaak niet gelijkwaardig. Het meest reële en haalbare doel voor nu is binnen de organisaties die zich bezig houden met diversiteit en inclusie voorlichting en uitleg geven. Want zij zijn de voorlopers, van hen gaat een belangrijke voorbeeldwerking uit.